Verlengingsbesluit tijdelijke COVID-19-voorzieningen

‘In dit besluit wordt voor een aantal van de voorzieningen de vervaldatum gewijzigd van 1 september 2020 in 1 oktober 2020 zodat de geldigheid daarvan verlengd wordt tot deze nieuwe vervaldatum. Het betreft de voorzieningen in de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, de Verzamelspoedwet COVID-19, de Tweede verzamelspoedwet COVID-19 en de Tijdelijke rijkswet voorziening Rijksoctrooiwet 1995 COVID-19.’

Besluit tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19

NOTA VAN TOELICHTING

In de afgelopen maanden zijn door middel van verschillende wetten juridische voorzieningen gerealiseerd in verband met de COVID-19-uitbraak die het mogelijk maken op diverse terreinen problemen als gevolg van de beperkende maatregelen te voorkomen of mitigeren.
In een aantal gevallen is de tijdelijkheid van deze voorzieningen expliciet vastgelegd doordat een vervaldatum voor de betreffende wettelijke bepalingen is vastgesteld. In een deel van deze tijdelijke voorzieningen is verlenging van de geldigheid mogelijk door bij koninklijk besluit een latere vervaldatum vast te stellen die ten hoogste twee maanden na de eerdere vervaldatum ligt. Er is geen maximum gesteld aan het aantal malen dat een verlenging langs deze weg kan plaatsvinden. Dit wettelijke systeem leidt er daardoor toe dat met redelijk korte intervallen een herijking plaatsvindt van de noodzaak tot continuering van de betreffende voorzieningen, en waar nodig een verantwoording tegenover het parlement.

In dit besluit wordt voor een aantal van deze voorzieningen de vervaldatum gewijzigd van 1 september 2020 in 1 oktober 2020 zodat de geldigheid daarvan verlengd wordt tot deze nieuwe vervaldatum. Het betreft de in de bijlage bij deze toelichting nader aangeduide voorzieningen in de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, de Verzamelspoedwet COVID-19, de Tweede verzamelspoedwet COVID-19 en de Tijdelijke rijkswet voorziening Rijksoctrooiwet 1995 COVID-19.

Deze nota van toelichting wordt uitgebracht in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en Klimaat.

Algemene overwegingen bij de verlenging van tijdelijke voorzieningen

De wettelijke voorzieningen waarop dit besluit ziet hebben gemeen dat zij vervallen per 1 september 2020, tenzij voor deze datum bij koninklijk besluit een ander tijdstip wordt vastgesteld waarop zij vervallen. Dit tijdstip kan ten hoogste twee maanden liggen na het eerder geldende tijdstip van verval.

In het algemeen betreffen deze voorzieningen facultatieve voorzieningen waarmee praktische problemen van de uit de COVID-19-beleid voortvloeiende beperkingen het hoofd geboden kunnen worden. Gelet op de nog altijd bestaande noodzaak tot beperkende maatregelen ter voorkoming van nieuwe besmettingen ligt het in de rede deze voorzieningen voortgaande gelding te verlenen. Tevens valt nog niet uit te sluiten dat later in het jaar de besmettingsgraad weer zal toenemen met als consequentie dat mogelijk weer verdergaande beperkingen noodzakelijk zullen blijken. Dit is relevant omdat voorzieningen waarvan de gelding nu niet wordt verlengd, niet op een later moment alsnog geactiveerd kunnen worden. Als op een later moment alsnog de behoefte zou bestaan aan zo’n voorziening zou dan dus eerst een nieuw wetgevingstraject vereist zijn om zo’n voorziening opnieuw in het leven te roepen. Daarom is op dit moment voor verlenging van alle in de bijlage aangeduide voorzieningen gekozen.

Duur van de verlenging

Met dit besluit wordt voor deze bepalingen een nieuwe vervaldatum van 1 oktober 2020 vastgesteld. Het is aannemelijk dat vóór deze datum opnieuw zal worden besloten tot verlenging van de geldingsduur van de voorzieningen waarop dit besluit ziet. Desalniettemin is er om praktische redenen voor gekozen in dit besluit slechts voor één maand te verlengen in plaats van de maximaal toegestane verlengingstermijn van twee maanden. Dit leidt er namelijk toe dat volgende verlengingsbesluiten niet gedurende een parlementaire recesperiode genomen en voorgehangen hoeven te worden. Dat bij dit besluit niet voor de maximale termijn is gekozen moet dus niet worden gezien als een indicatie dat verdere verlenging niet zal plaatsvinden.

Ter toelichting verwijs ik ook naar mijn brief van 29 juni 2020 over deze kwestie aan de beide Kamers der Staten-Generaal hierover (Kamerstukken I 2019/20, 25295, AP / Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 90).

Parlementaire voorhang

Voor een aantal van de voorzieningen waarop dit besluit betrekking heeft, geldt de verplichting om het ontwerp van het verlengingsbesluit gedurende een week aan de beide Kamers van de Staten-Generaal voor te hangen. In de laatste kolom van de tabel in de bijlage is aangegeven op welke onderdelen van dit besluit de voorhang betrekking heeft. Dit betreft:

  • artikel 1 ingevolge artikel 35, vierde lid van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid;
  • artikel 2 ingevolge artikel 8, derde lid, van de Verzamelspoedwet COVID-19; en
  • artikel 3 ingevolge artikel 5.4, zesde lid, van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19.

Voor artikel 4 geldt geen voorhangverplichting.

In verband hiermee is een ontwerp van dit besluit op [PM datum aanbieding TK/EK] toegezonden aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Gelet op de spoedeisendheid van dit besluit kon daarbij niet de regel in acht genomen worden dat de voorhangtermijn tenminste voor een deel buiten de recesperiode dient te vallen. Ik verwijs op dit punt ook naar de eerdergenoemde brief aan de Kamers.

[PM uitkomst voorhang]

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 
De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid bevat een aantal uiteenlopende voorzieningen op het terrein van JenV, die voor een belangrijk deel de strekking hebben tijdelijk elektronische vergaderingen en zittingen mogelijk te maken waar de bestaande wetgeving slechts in fysieke zittingen voorzag.

Deze wet vervalt in zijn geheel per 1 september 2020 tenzij een ander vervalmoment wordt vastgesteld, hetgeen bij dit besluit is gebeurd. Voor enkele artikelen vloeit uit de wet zelf al rechtstreeks een ander vervalmoment voort. Dit betreft:

  1. de artikelen 15 en 22 (, die vervallen op 1 september 2023;
  2. de artikelen 33 en 34, die vervallen op 1 september 2020 tenzij voor die datum een voorstel van wet bij de Tweede Kamer is ingediend tot regeling van het onderwerp van die artikelen. Dit zal vóór 1 september gebeuren.

Hoewel dit verlengingsbesluit geen betrekking heeft op deze artikelen zullen ook deze artikelen dus blijven gelden na 1 september 2020.

Ten aanzien van de maatregelen die betrekking hebben op de procesvoering in burgerlijke, bestuurlijke en strafzaken geldt het volgende. Hoewel de rechtspraak in de afgelopen periode in toenemende mate is gaan werken met fysieke zittingen, moet toch nog regelmatig gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om zittingen geheel of ten dele langs elektronische weg af te doen. De nog steeds noodzakelijke maatregelen ter voorkoming van besmetting (zoals een strakke zittingsplanning om groepsvorming in de wachtruimte te voorkomen en de noodzaak van reiniging van de ruimtes voor en na een fysieke zitting) leiden ertoe dat de zittingscapaciteit niet voldoende is om enkel met fysieke zittingen te volstaan. Daarbij speelt ook een rol dat de achterstanden die zijn ontstaan in de eerste periode van de COVID-19-maatregelen drukken op de beschikbare zittingscapaciteit.

Artikel 2 
Dit artikel betreft artikel 1 van de Verzamelspoedwet COVID-19, dat het mogelijk maakt om fysiek contact (met name: uitwisseling van te ondertekenen papieren documenten) achterwege te laten.

Artikel 3
Dit artikel betreft artikel 3.4 van de Tweede verzamelspoedwet COVID-19, dat het mogelijk maakt om in tuchtrechtelijke zaken de zitting lang elektronische weg te laten plaatsvinden op dezelfde voet als voor burgerlijke, bestuurlijke en strafzaken is mogelijk gemaakt in de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.
Ik verwijs hierbij naar de toelichting op artikel 1. Omdat de behandeling van tuchtrechtelijke zaken veelal in gerechtsgebouwen plaatsvindt, geldt hetgeen daar is opgemerkt over fysieke zittingen in burgerlijke, bestuursrechtelijke en strafzaken eveneens voor de categorie van tuchtrechtelijke zaken.

Artikel 4
Dit artikel betreft de voorzieningen die zijn getroffen met betrekking tot termijnen en betalingsverplichtingen die gelden op grond van de Rijksoctrooiwet 1995. Met deze voorzieningen wordt de toeslag voor het te laat betalen van instandhoudingstaksen voor in het Koninkrijk geldende octrooirechten tijdelijk op nihil gesteld en wordt de directeur van het Octrooicentrum Nederland in staat gesteld tijdelijk termijnen die ingevolge de Rijksoctrooiwet 1995 gelden, te verlengen. In aanvulling op de hiervoor gemaakte algemene overwegingen bij de verlenging van de tijdelijke voorzieningen, is van belang dat de financiële positie van met name het midden- en kleinbedrijf op dit moment nog steeds precair is de impact daarvan nu voelbaar wordt. Voor octrooirechten die in meerdere landen tegelijk gelden, is voorts van belang dat octrooihouders en hun gemachtigden veelal te maken hebben met diverse beperkende maatregelen die in verschillende landen van toepassing zijn.